De goudsmid
In de tijd, dat de mensen nog met gouden munten betaalden, gaven veel mensen deze munten in bewaring bij de goudsmid en betaalden hem daarvoor een kleine vergoeding. Hij was toendertijd de enige die een veilige kluis had. De mensen kregen van de goudsmid een ontvangstbewijsje, waarmee ze hun goud later weer op konden halen. Maar de mensen gingen die ontvangstbewijsjes gebruiken om mee te betalen. Dan hoefde je niet met je goudstukken over straat. Wie zo’n bewijsje ontving kon de goudstukken immers bij de goudsmid ophalen, als je dat wilde. Met het bewaren van goudstukken werd de goudsmid slapend rijk.
Ook kwamen er steeds vaker mensen geld van hem lenen. Maar in plaats van goudstukken mee te nemen, lieten ze die liever in de kluis liggen en vroegen daarvoor in de plaats een bewijsje. Voor de lening ontving de goudsmid rente. Aanvankelijk leende hij alleen zijn eigen goudstukken uit. (Dat wil zeggen: hij leende bewijsjes uit met zijn eigen goud als onderpand.) Maar toen er steeds meer mensen geld van hem wilden lenen, begon hij te steggelen. Hij begon bewijsjes uit te lenen van goudstukken, die zijn klanten in bewaring hadden gegeven. En die hadden voor hetzelfde goud al een bewijsje gekregen. De goudsmid leende zo steeds meer bewijsjes uit en inde steeds meer rente. En zolang er maar niet te veel mensen tegelijk hun bewijsjes tegen goudstukken wilden inwisselen, merkte niemand daar wat van.
Lege kluis
Zo gaat het nu nog steeds. Iedereen heeft bedragen op zijn betaalrekening staan en zolang er maar niet teveel mensen tegelijk hun geld op komen eisen, dan merkt niemand, dat de kluis zo goed als leeg is. Bijna al het geld is uitgeleend. Veel mensen denken nog steeds, dat de bank rijk is en haar eigen geld uitleent. Nee dus, de bank zelf heeft daarvoor geen geld. De bank leent altijd het geld van de andere klanten uit.
Door die bijna lege kluis dreigt natuurlijk altijd het gevaar, dat de bank niet genoeg geld heeft om de nodige betalingen te doen. Zoals ze dat in de kredietcrisis zo mooi zeggen, de bank heeft dan een liquiditeitsprobleem.
Leningen
Wanneer banken geld uitlenen, lopen ze meestal een zeker risico, dat de lening niet (of niet helemaal) terugbetaald wordt. Daarom vragen de banken gewoonlijk een onderpand. Wanneer je geld voor een auto leent, en je betaalt niet terug, dan neemt de bank je auto in beslag, verkoopt hem en met de opbrengst wordt de uitstaande lening terug betaald. En als dat niet voldoende is, hou je nog een schuld aan de bank. Maar als je niet kunt betalen, dan moet de bank het restant van de lening uiteindelijk afschrijven. En als dat te vaak gebeurt, komt niet alleen de bank in problemen, maar ook de klanten die geld van de bank tegoed hebben.
We komen nu bij de tweede belangrijke spelregel. Banken moeten een Eigen Vermogen hebben dat minstens even groot is als 8% van de uitstaande leningen. [Anders gezegd, voor elke 8 euro Eigen Vermogen, mag de bank 100 euro uitlenen. Maar bij sommige leningen, zoals hypotheekleningen, mogen ze met hetzelfde Eigen Vermogen dubbel zoveel uitlenen en dus dubbel zoveel rente vangen. Geen wonder dus, dat banken die hypotheekleningen graag verstrekken. (Alhoewel dat nu, eind 2008, eventjes problematisch is.) Voor leningen aan de staat geldt de 8% regel niet. De staat kan immers altijd belasting heffen om de bank terug te betalen.
![[Most Recent Quotes from www.kitco.com]](http://www.kitco.com/LFgif/au0030lns.gif)
![[Most Recent Quotes from www.kitco.com]](http://www.kitco.com/LFgif/au0060lns.gif)
![[Most Recent Quotes from www.kitco.com]](http://www.kitco.com/LFgif/au0365nys.gif)
![[Most Recent Quotes from www.kitco.com]](http://www.kitco.com/LFgif/au1825nys.gif)


